logo-met-tekst-kleiner-breed

Wedstrijdinstructies

Wedstrijdinstructies 

 

intro wedstrijdinstructies 1 

 

intro wedstrijdinstructies 2 

 

 

Training zeilers de Batavier 

Dit jaar voor het tweede jaar in successie wordt er op donderdagavond een zeiltraining gehouden. We beginnen om 19.15 uur met een voorbespreking. Daarna een uur tot anderhalf uur de training afwerken. We hebben ongeveer om 9.00 – 9.30 uur een nabespreking over de bevindingen. De zeiltraining begint ongeveer eind april en gaat door tot ergens in september/oktober. Zolang het ’s avonds licht is. In de zomermaanden wordt kort gestopt omdat iedereen dan op vakantie is. De onderstaande trainingsbeschrijvingen zijn in het verleden gebruikt en kunnen weer opnieuw gebruikt worden, afhankelijk van de behoefte. We kunnen ervoor kiezen een bepaalde training een of meer keren te herhalen. Zo staat de training “starten” weer in de belangstelling. Er worden regelmatig nieuwe trainingsopzetten geschreven.

Naast de trainingsopzetten zijn er extra’s als het verstrekken van telltales en overzichten met interessante links en een inventarischeck. Ook komen er tijdens de voorbespreking en nabespreking dingen aan de orde die in tijdschriften hebben gestaan of men elders heeft opgedaan. Dat levert vaak interessante en leerzame discussies op. Op die donderdagavonden zijn er meestal twee of drie leden van de zeilcommissie aanwezig.

De trainingen worden geschreven door ondergetekende, maar de inbreng van andere mensen is onmisbaar.

 

Namens de zeilcommissie,

Boudewijn Overdevest.

 

Programma  

 

    1. zeilen zonder roer.
    2. starten
    3. balans, hangen, trapeze
    4. accelereren bij vlagen
    5. telltales
    6. loefgierigheid
    7. roll tack
    8. licht weer scenario
    9. aan de wind varen
    10. zwaar weer scenario
    11. overstag

 

1. Zeilen zonder roer

Achtergrond.

De oefening zeilen zonder roer is functioneel omdat roeruitslag remt.

De roerganger moet een goede communicatie onderhouden met zijn teamleden over de roerdruk.

Roerdruk kan vooral worden beïnvloed door de grootschoot en de traveller. De traveller is hierin het belangrijkst volgens de literatuur hierover. Bij loefgierigheid gaat de traveller in principe naar lei. Bij teveel wind kan men ervoor kiezen om het bovenste gedeelte van het zeil te laten uitwaaien (twist). Dat doet men door de schoot te vieren, de giekneerhouder te lossen en de traveller iets naar loef te zetten. Dat laatste is nodig om te voorkomen dat de grootschoot de giek naar beneden trekt.

 

Let erop dat een grote hellingshoek van de boot een belangrijke oorzaak is van loefgierigheid.

Fok strakker zetten vermindert de loefgierigheid evenals het ruimer zetten van het grootzeil.

Als de positie van de mast veranderd kan worden dan ook hier even naar kijken.

 

De oefening.

  • Zoek ruim water op. Zet je roer in het midden vast. Neem een koers op halve wind en probeer de boot rechtdoor te laten lopen zonder het roer te gebruiken.
  • Doe hetzelfde bij een aan-de-winds rak.
  • Probeer op beide rakken van koers te veranderen door alleen de zeilen te gebruiken.
  • Kijk wat het effect is van wel of niet hangen. Dus van de hellingshoek van de boot.
  • Kijk wat het effect is als de vorm van het grootzeil veranderd wordt. (bv. achterstag aantrekken samen met cunningham of meer of minder twist maken) (als de bolling verder naar voren komt wordt de boot minder loefgierig)

Let op alle dingen die bij achtergrond genoemd zijn.

Blijf hier een tijdje mee bezig en wees niet te snel tevreden. Probeer van alles. Oefening baart kunst.

 

Terug   

2. Starten.

Achtergrond 

Op volle snelheid, op de laatste seconde, op de juiste plaats over de startlijn gaan is het doel. Om dat doel te bereiken zijn voorbereidingen nodig.

 

De juiste plaats. 

We moeten een studie maken over de ligging van de startlijn ten opzichte van de eerste bovenboei. Zie “ligging van de lijn (1)”.

Dat kunnen we op verschillende manieren doen. Zie “Bepaling gunstige kant (1)en (2)”.

Er zijn nog meer methoden, maar hier doen we het even mee.

 

Volle snelheid. 

De acceleratie van boten kan heel verschillend zijn (is wel een degressief stijgende kromme, Zie “Acceleratie”). Voor lichtere kajuitzeilboten kan die 8-10 lengtes zijn. Voor een boot van 8 meter kan dat dan 64-80 meter zijn. Bij een gemiddelde snelheid van 3 knopen kost dat 42-53 seconden.

Een probleem is hier dat moeilijk te meten is hoe ver je van de startlijn af bent. Het zou me niet verwonderen als bouwkundigen een apparaatje hebben om de afstand naar startschip of boei te meten. Zou een idee zijn.

Als je een minuut voor de start op 100 meter ligt en er vol voor gaat moet dat aardig uitkomen (bij een wind die in de aanloop gemiddeld 3 knopen oplevert).

 

De laatste seconde. 

Een optie is om op volle snelheid langs de startlijn te varen en op te loeven als het tijd is.

Meestal krijg je daar de ruimte niet voor of je moet de eerste zijn die dat doet en over bakboord liggen. Je moet dan wel uitkomen waar je wil zijn.

 

De oefening 

Wat we hierbij nodig hebben is een startschip een startboei en een bovenboei.

Het mooiste is als vanaf het startschip de bekende startroutine een aantal malen wordt gebruikt. Met geluidsseinen en al. Een half uurtje na het begin van de oefening

 

Eerst gaan we de ligging testen.

  • Bepaal uit welke hoek de wind komt. (aantal graden). Doe meerdere metingen en neem het gemiddelde. Je kunt dit bijvoorbeeld doen door de boot (waar ook) met de neus in de wind te leggen.
  • Vaar exact langs de startlijn en neem de koers op en kijk met een peilkompas of de bovenboei op 900 ligt. Op het oog kan ook maar is niet erg exact. Als het goed is moet die koers dan precies in de wind liggen. Doet ie dat niet dan weten we waar we moeten starten.
  • Ga ongeveer 100 meter voor de start liggen, zet de stopwatch op 1 minuut en knal zo hard je kunt naar de start. Het zou een wonder zijn als dat precies past. Dus tijd of afstand bijstellen en opnieuw.
  • Ga ongeveer 30 meter voor de start liggen en zet de stopwatch op 18 seconden (of bijgesteld naar de omstandigheden) Kijk of je goed uitkomt. De marge moet nu kleiner zijn.
  • Doe mee met de starts die vanaf het startschip worden gegeven.

 Terug   

 

3. Balans, hangen, trapeze. 

 

Achtergrond  

De meeste schepen varen het snelst als ze rechtop gehouden worden. Voor veel schepen is het goed om bij zwakke wind 100 helling naar lij te hebben. Bijvoorbeeld twee man zitten aan loef en één aan lij of andersom indien nodig. Dan blijven de zeilen goed in vorm.

 

Bij open boten is het ontwerp vaak zo dat de boot optimaal presteert bij een lichte helling naar lij (niet bij voor-de-windse koers). In vrijwel alle gevallen in het zo dat hellen naar lij de lengte van de waterlijn groter maakt en een grotere snelheid tot de mogelijkheden behoort. Dat gaat pas een rol spelen bij hoge snelheden. De boot moet dan wel niet teveel helling hebben en de grotere waterlijn geeft meer weerstand. Door helling naar lij verlijer je minder door de grotere waterlijn.

 

Hangen  

Om goed te kunnen hangen heb je hangbanden nodig en plekken om die degelijk vast te maken. Hangbanden willen nog wel eens in de weg zitten, vooral als je ze zodanig bevestigt dat ze gemakkelijk te pakken zijn met je voeten. Geef dat dus voldoende aandacht. Hangbanden moeten van breed materiaal gemaakt zijn.

In hangende toestand moeten trimmogelijkheden binnen bereik zijn. Zoals cunningham, trimbox van de fokkeval, neerhouder van de giek e.d.

De helmstok moet een verlenging hebben die opzij kan klappen.

 

Hangen kun je in gradaties. Je kunt één man/vrouw laten hangen of indien nodig meer. Die kunnen dan in het gangboord gaan zitten en als meer tegenwicht nodig is over boord gaan hangen. Als laatste kan een trapeze gebruikt worden.

 

We krijgen dan de volgende gradaties:

  • één man zit in het gangboord, de rest in de kuip
  • twee man in het gangboord, de derde in de kuip
  • drie man in het gangboord
  • één man buitenboord. (met zijn achterwerk tegen de zijkant van de boot) de rest in het gangboord
  • twee man buitenboord, één in het gangboord
  • drie man buitenboord
  • Trapeze (indien de klassebepalingen en de uitrusting dat toelaten)

Met het bovenlichaam ver uithangen is ook een optie, maar bezwaarlijk om lang vol te houden. Vangt ook veel wind, dus niet teveel doen. Is ook niet goed voor je rug. Je hangt in principe met een rechte rug om klachten te voorkomen. Bij het hangen vormen de knieën een hoek tot 900.

 

Let op dat je eerst met lichaamsgewicht werkt en als dat uitgeput is dan pas de trim aanpast.

 

Niet hangen daar waar dat wel nodig is, maakt de boot loefgierig en de bijbehorende roeruitslag remt. Dat geldt al bij een geringe helling. Een correctie van 3 tot 50 op het roer is normaal.

 

Trapeze.  

Bij het uithangen gaan we eerst zo ver mogelijk hangen zodat de lijn strak staat. Dan zetten we een been op de rand van de boot en met het andere zetten we uit. Let erop dat de fokkeschoot nog bediend kan worden. Als je de voet die het dichtst bij de voorsteven zit een kwart slag draait geeft dat meer stabiliteit. Voeten dichter bij elkaar levert meer gewicht. Wanneer je overstag gaat of moet gijpen, moet je zo snel mogelijk van de ene kant naar de andere kant. Dit betekent dat je uit de trapeze moet komen, moet uithaken, je fok naar de andere kant moet brengen, weer moet inhaken en in de trapeze gaan staan. Dit zijn best veel handelingen in een zeer korte tijd. Het is met name belangrijk om goede afspraken te maken met je stuurman wanneer je weer in de trapeze staat en wanneer je eruit komt

 

Balans 

Bij golfslag is het belangrijk dat de bemanning dicht bij elkaar zit zodat de boeg en de achtersteven gemakkelijk over de golven kunnen komen. Men moet er ook op letten dat de boot bij de achterspiegel zijn water goed los laat. Zo nodig moet de bemanning verder naar voren gaan zitten. Veel turbulentie in het water bij de spiegel is niet goed.

 

Oefening 

Oefen met hangen en probeer de boot kaarsrecht te varen. Kies uit de boven geschetste mogelijkheden. Kies daarvoor zoveel mogelijk een aandewindse koers.

Geen trim aanpassen. Goed strak zetten. Let op de balans.

Wil je overleggen tijdens de oefening, kom even langszij. Liefst aan de lijzijde van onze boot.

 

Terug  

 

4. Accelereren in vlagen. 

 

Achtergrond 

Je kunt met een windvlaag drie dingen doen.

  • Oploeven
  • Snelheid maken met ongewijzigde zeilvoering
  • Snelheid maken met gewijzigde zeilvoering

Als er geen zwaarwegende reden is om op te loeven kun je beter proberen snelheid te maken. Wat is een zwaarwegende reden om op te loeven? Het kan zijn dat je een boei wil halen en om geen extra slag te moeten maken loef je op in een vlaag.

Het kan ook zijn dat je een andere positie in de race wil. Of dat zwaarwegend is, is de vraag.

Overstag gaan wil ook wel eens goed zijn.

Oploeven is extra te waarderen als er weinig golfslag is. Bij meer golfslag kun je de extra energie goed gebruiken.

 

Vaak is het beter om te proberen extra snelheid te maken. De gewonnen snelheid kan een tijdje aanhouden. Het is zoiets als aanzetten op de fiets. De hogere snelheid kan met weinig extra energie vastgehouden worden.

 

Hier is het zaak het water te “lezen”. Kun je verwachten dat de extra wind nog wel even aanhoudt dan kun je ervoor kiezen om de zeilzetting te veranderen. Meer wind geeft immers meer ruimte. Dat is bijvoorbeeld het geval als je achter bebouwing vandaan komt. Bij ongewijzigde koers zet je de zeilen dan iets ruimer om meer snelheid te maken.

 

Is het een korte vlaag dan is het beter even te knallen en alles te laten staan. Let erop dat je dan beter gaat hangen om de boot niet teveel te laten hellen anders raak je de extra energie kwijt aan het roer.

 

Een korte vlaag is niet geschikt om je zeilen aan te passen. Het duurt altijd even voordat de luchtstroom langs het zeil zich hersteld heeft van de verandering. Dan kan de vlaag alweer voorbij zijn.

 

Oefening.

Vlagen heb je niet op bestelling. Als de wind uit de goede hoek komt kun je ervoor kiezen om langs bebouwing te varen en telkens als er wind tussendoor komt te bekijken wat je doet.

 

Let op de volgende punten:

  • Hangen in de vlaag
  • oploeven (oefenen in dosering, matig in roeruitslag)
  • Snelheid maken (controleren met het log!)
  • Zeilvoering optimaliseren in de vlaag indien gewenst.

Terug  

 

5. Telltales 

 

Achtergrond  

Zowel het voorzeil als het grootzeil hebben telltales nodig om de wind langs het zeil zichtbaar te maken.

 

Waar aan te brengen.

De fok 

De telltales kunnen het beste bevestigd worden op 1/3 van de breedte van de fok vanaf het voorlijk. Qua hoogte op ¼, de helft en ¾ van de lengte van het voorlijk.

Dat kan op twee manieren. Je kunt een degelijk draadje wol nemen van 15-23 cm lengte. Voor kajuitzeiljachten zeker 20 cm. Die doe je in een naald en steekt hem door het zeil. Leg aan beide zijden een knoopje zo dicht mogelijk tegen het zeil. Houd je niet van gaatjes in je zeil? Je kunt ze ook plakken met goede (!) tape. Aan elke kant één en op dezelfde plek. Voor het echt mooie kun je op 3/4e en 1/2e van de hoogte telltales op het achterlijk maken voor een controle van de twist in  het voorzeil.

 

Het grootzeil. 

Voor het grootzeil worden alleen telltales gebruikt op het achterlijk op de plaats van de zeillatten. Gebruik daarvoor strookjes spinnakerdoek van ruim 1 cm breed en zeker 12 cm lang. Twee cm. heb je nodig voor de bevestiging. Vastnaaien is het beste, plakken kan ook.

 

Heb je geen spinnakerdoek… Ik heb nog wel wat.

 

Het gebruik 

De fok 

De telltales van de fok moeten vrijwel steeds in de gaten gehouden worden. De zeer wisselende winden in ons gebied maken dat noodzakelijk. De consequentie is dat de fok ook vaak aangepast moet worden. De telltales staan goed als ze strak horizontaal staan. Wanneer de telltales aan de achterzijde (lijzijde) klapperen dient de fok gevierd te worden. Wanneer de telltales aan de voorzijde (loefzijde) klapperen moet de fok strakker gezet worden.

De onderste telltale, de zgn. stuurtelltale, wordt door de stuurman gebruikt bij het hoog aan de wind zeilen. De telltales meer naar boven geven informatie aan de trimmer over de twist en de profielvorm.

De loeftelltales geven informatie over de hoogte die wordt gestuurd.

Wanneer de wind sterk vermindert kan het nodig zijn om via de trimbox van de val de diepte van de fok te vergroten, waardoor het klapperen aan lij ook vermindert.

Het is een goed teken wanneer de telltales aan loef omhoog gaan lopen. Dan stuur je goed hoog aan de wind.

 

Het grootzeil 

De telltales van het grootzeil laten zien of het zeil de wind goed loslaat. Wanneer ze achter het grootzeil verdwijnen dienen de grootschoot of de traveller gevierd te worden. Dat kan er toe leiden dat er direct achter het voorlijk wat “leven” in het grootzeil komt. Dat is niet bezwaarlijk.

 

Op geleide van de roerdruk kan het zelfs nodig zijn de traveller nog wat verder naar lij te zetten. Bij een niet echt scherpe koers kan er voor gekozen worden de barberhauler wat aan te trekken om dat “leven” een beetje te verminderen.

De bovenste telltale heeft een speciale functie. Hij vertelt de zeiler of de twist goed staat.

Het kan zijn dat alleen de bovenste telltale achter het grootzeil verdwijnt. Dat kan tot op zekere hoogte getolereerd worden. Als het erg duidelijk gaat worden dan dient de twist vergroot te worden. Dat doe je door de neerhouder van de giek losser te zetten. Vaak is dat voldoende. Heeft ie meer nodig dan kun je de traveller naar loef zetten en de schoot vieren.

 

Er kunnen strategische of tactische redenen zijn om niet de zeilen, maar de koers aan te passen. Communicatie in de boot is dan cruciaal.

 

De oefening 

  • Maak een taakverdeling. De fokkenist let op de telltales in de fok en de “middenman” let op het grootzeil. De roerganger let op een vaste koers. (kijk op het kompas of houd een punt op de horizon in de gaten). Bij een tweemansboot doet de roerganger het werk van de middenman erbij.
  • Kies een niet te scherpe aan-de-windse koers en houd die vast.
  • “Werk” met de telltales continu. Pas dus steeds het zeil aan. Niet de koers.
  • Kijk bij het grootzeil naar de effecten van de schoot.
  • Kijk bij het grootzeil naar de effecten van de traveller.
  • Let bij beide op de roerdruk
  • Kijk naar het effect van de spanning op het voorlijk van de fok.
  • Zet de zeilen vast op een goede positie en probeer met het variëren van de koers de telltales goed te houden.

Terug   

 

6. Loefgierigheid 

 

Achtergrond 

Loefgierigheid is bij veel schepen een probleem. Toch is daar veel aan te doen. Omdat loefgierigheid vooral optreedt bij veel wind gaan we daar vanuit in deze tekst.

 

Aanpassen van de tuigage.

De mast 

De positie van de mast is van groot belang. Bekijk je mastvoet eens goed of die verplaatsbaar is.

De mastvoet naar voren zetten vermindert het probleem aanzienlijk. Bij bijvoorbeeld de Etchells – een snelle open boot – zijn er vier of vijf plaatsen om de mast te positioneren. Bij meer wind wordt die dan naar voren gezet. De H-boot heeft drie posities.

 

De fok 

Ik zeil regelmatig mee op een Dehler 28. Daar is alleen een keerfok beschikbaar. Die fok blijft dus ruim vóór de mast. Dat is goed te merken in de loefgierigheid. Een groter voorzeil helpt dus de loefgierigheid te verminderen.

 

Het grootzeil 

Tijdig reven vermindert ook de loefgierigheid en daarmee het remmen van het roer. Iets voor groot water. Het nadeel in een wedstrijd is dat er ruimere koersen zijn waar loefgierigheid geen rol speelt. Dan kun je beter met vol tuig varen en zo nodig steeds de trim aanpassen.

 

Aanpassen van de trim 

De roerdruk is de maatstaf waaraan de trim op dit terrein gemeten wordt. 3 – 50 roeruitslag is normaal. Loefgierigheid speelt vooral een rol op aan-de-windse koersen. Hangt de boot op één oor dan zal een flink gedeelte van de mast aan lij buiten boord zitten en drukt de boot om naar de wind.

 

De eerste maatregel die we nemen is hangen. Zo ver als nodig is. Redden we het daar niet mee dan gaan we trimmen.

 

In principe wordt loefgierigheid dan bestreden met de traveller. Bij teveel helling gaat die naar lij. Zo ver tot het probleem van de roerdruk is opgelost en de boot niet veel helling meer heeft. Kunnen we het daarmee niet redden dan gaan we de twist in het grootzeil vergroten (in die volgorde).

 

Dat doe je door de traveller naar loef te zetten, de giekneerhouder te lossen en de schoot te vieren. Het gevolg is dat de giek omhoog gaat (niet gehinderd door de schoot) en de top uitwaait. Omdat daar dan geen voortstuwing meer zit zal de loefgierigheid afnemen. Het gaat er dus om om de voorstuwing in het grootzeil te verminderen en vooral op die plaats die het grootste effect heeft op de hellingshoek. Als het nodig is nemen we het killen van het grootzeil voor lief.

 

We kunnen ook maatregelen nemen om de vorm van het grootzeil te veranderen. Het aantrekken van de cunningham verplaatst de bolling in het grootzeil naar voren en daarmee de positie van het aangrijpingspunt in het zeil. Bij flinke wind is dat zeker nodig. De onderlijkstrekker moet strak staan en de achterstag moet flink aangetrokken zijn. Dat geeft minder bolling die correspondeert met de hogere snelheid van de wind.

 

De fok moet vol doorknallen. Daar zit een zeer belangrijk deel van je voorstuwing. Dus altijd goed strak bij die aan-de-windse koers en veel wind. Het schootleioog moet een beetje naar achteren.

 

Gebruik de trimbox om de val strak te zetten. Een strakkere val beweegt de bolling naar voren en daarmee het drukpunt in het voorzeil. Ook dat vermindert de loefgierigheid.

 

Oefening 

Bij de oefening “hangen” hebben we hier al wat aan gedaan. We gaan nu wat verder. Is een oefening voor veel wind.

  • Doe je voorbereidingen voor wat betreft trim, uitrusting, kleding en veiligheid (zie o.a. oefening “pure snelheid maken”, let op wantspanning).
  • Neem een aan-de-windse koers
  • Corrigeer de hellingshoek in eerste instantie met hangen.
  • Experimenteer met de traveller ter correctie van de hellingshoek
  • Experimenteer met de twist
  • Experimenteer met de vorm van het grootzeil en voorzeil

Terug  

 

7. Roll tack 

 

Achtergrond.

CWO definieert de roll-tack als volgt: Van hoog aan de wind naar hoog aan de wind. De roltechniek verloopt als volgt: vanuit hoog aan de windse koers de boot naar lij laten hellen en gelijktijdig laten oploeven. Voordat het schip tot in de wind is gedraaid, gaat de bemanning weer met een ruk uithangen en trekt (rolt) het schip over zich heen. Op het moment dat de giek overkomt, gaat de bemanning snel en soepel naar de andere kant en trekt het schip weer horizontaal. Hierbij moet worden voorkomen dat het schip ‘terugvalt’. Tijdens de overstagmanoeuvre mogen de helmstokverlenger en de schoot niet worden losgelaten. 

 

Hoe de roll-tack precies wordt uitgevoerd verschilt per type schip. Bij sommige schepen moet de rol meer extreem zijn dan bij andere schepen om zo snel mogelijk overstag te gaan. Algemene stappen zijn:

 

Er wordt hoog aan de wind gevaren. Het schip ligt vrijwel volledig vlak om zoveel mogelijk snelheid te maken en zoveel mogelijk zijwaartse weerstand van het zwaard te krijgen. De meeste schepen varen optimaal met een zeer lichte helling.

 

Het schip wordt iets geheld naar lij zodat het schip gaat oploeven. Het zeil staat nog altijd volledig strak. Vlak voor het moment dat het schip in de wind komt, gaat de stuurman (en/of bemanning) volledig uithangen naar loef. Bij weinig wind is dit meer dan bij veel wind.

 

Op het moment dat de giek overkomt gaat de stuurman (en/of bemanning) snel naar de andere kant en trekt het schip volledig recht. Dit moet vrij extreem om het zeil vol te pompen. De schoot wordt tijdens het naar de andere kant gaat iets gevierd. Nadat het schip wordt recht getrokken wordt de schoot ook weer volledig aangetrokken.

 

Zie demovideo’s.

 

Oefening.

  • Neem een aan-de-windse koers en de ruimte om te manoeuvreren.
  • Oefen de roll-tack een aantal keren achter elkaar. Niet te snel tevreden zijn. Moet vlekkeloos wil het helpen.
  • Bespreek de taakverdeling voor de volgende oefeningen.
  • Let nu op dat je gelijktijdig de fokkeschoot snel overzet. Het gebruik van cross-sheeting wordt aanbevolen vanaf windkracht 3 (schoot op de lier aan loef)
  • Oefen met het gelijktijdig verplaatsen van de traveller. Bij flinke wind naar lij. Dus meenemen in de manoevre. Aan loef lossen en aan de nieuwe loefzijde meteen opvangen en mee naar lij laten lopen.

Terug   

 

8. Licht weer scenario 

 

Neem even de tijd om de boot in orde te maken volgens onderstaande aanbevelingen.

Op het water: Kies koersen duidelijk aan de wind en halve wind.

Zorg er vooral voor zo veel mogelijk stil te zitten.

 

Let op het loslaten van het water aan de achterzijde. Bij teveel turbulentie naar voren gaan zitten.

Ga aan lij zitten als de zeilen niet goed vallen.

Op 3mansboot: Bij 2 bft: één man aan lij en twee hoog. Bij 1 bft: twee aan lij en één hoog. 2mansboot: één laag en één hoog

Een boei ruim ronden om zo weinig mogelijk snelheid te verliezen.

 

De trim 

Het want 

Weinig spanningverschil tussen top- en onderwant. Samen losjes.

Elke kromming van de mast in de lengterichting is uit den boze

Achterstag losjes

Als het kan de mast naar achteren zetten

 

Het voorzeil 

Schootleioog naar voren om meer bolling in het zeil te krijgen.

Fokkeval losjes

De schoot ruim houden

 

Het grootzeil 

Val niet te strak

Cunningham los

Onderlijkstrekker mag 5 – 8 cm terug!

Grootschoot losjes dus niet te scherp willen varen

 

Ruime wind 

Let op telltales. Zet de giek goed naar lij.

Neerhouder mag wat aan.

Barberhauler aan. Dus gaat de fok flink naar lij. Let op spleetwerking.

 

Aan de wind 

Traveller aan loef om de giek in de lengterichting van de boot te krijgen en toch bolling te houden.

Let er wel op dat het achterlijk niet te ver uitwaait dat kost hoogte. Twist enigszins beperken. Daartoe zo nodig iets met de neerhouder doen.

 

Nota bene 

Roerdruk is helemaal fout. Pas de trim aan. Vooral ruimte op het grootzeil.

Let op je log bij alles wat je verandert.

 

Terug  

 

9. Scherp aan de wind varen. 

 

Algemeen 

Bij het scherp aan de wind varen is het altijd een keus tussen snelheid en koers. Met een goede koers is veel te winnen als je met grotere afstanden te maken hebt. In dat geval kan een paar graden scherper veel tijd besparen. Zit je qua koers constant op de grens van het haalbare, dan gaat dat ten koste van de snelheid. Bij veel wind is dat geen probleem. Het kan dan zelfs gunstig zijn niet de volle wind te benutten omdat dat hellingshoek scheelt. In wedstrijden – waar de rakken vaak vrij kort zijn – is snelheid meestal de beste keus. Je kunt nog wel wat doen om wel snelheid te maken, maar toch een goede hoogte te hebben.

 

De trim 

Vooraf  kun je de volgende maatregelen nemen:

  1. Bind een lijntje door het schoothoekoog van het grootzeil om de giek. Dit moet het achterlijk strak zetten. Hoe strakker het achterlijk hoe scherper je kunt varen. Niet doen bij veel wind want dan wordt de boot loefgierig.
  2. Maak het voorzeil vlakker dan in de gegeven omstandigheden gewenst is. Hier doet zich het probleem voor dat je eigenlijk het voorlijk wat strakker wil zetten, maar dat zet de bolling in het zeil naar voren en dat is minder gunstig voor het hoog varen.

Bij licht weer 

In deze omstandigheden is snelheid van het grootste belang. Dat vereist dat de bolling in je zeilen flink groot is. Dat gaat dan weer ten koste van het scherp kunnen zeilen. Bij licht weer kun je het achterlijk van je grootzeil helemaal dicht trekken omdat je geen risico loopt op teveel hellingshoek. Let wel goed op je roerdruk. die kan daardoor nog wel eens wat groter worden. Compenseren met je overloop.

 

Het is nu van groot belang te kijken naar het bovenste gedeelte van de zeilen. Die moeten goed meewerken aan de voortstuwing. De bovenste zeillat moet een dunne zijn, zodat een goede bolling verkregen wordt. Houdt de spleetwerking goed in de gaten. Onder meer via de telltales, maar op het oog kun je ook veel zien. In het proefvaren voor een wedstrijd moet je kijken wat er gebeurt als je oploeft tot in de wind. Welke telltales in het voorzeil gaan het eerst klapperen. Compenseren met het leioog.

 

Let op ombuigingen van de wind door obstakels op de wal.

Zie ook de aanbevelingen bij “Licht weer scenario”

 

Matig tot veel wind 

In dit geval is snelheid minder een issue. De snelheid kan worden opgevoerd tot bij de maximale rompsnelheid. De vlakkere zeilen dragen bij tot hoog varen. De hellingshoek wordt nu een probleem. Het achterlijk zo lang mogelijk dicht houden en compenseren met de overloop. Windschiftingen komen nu minder vaak voor.

 

De oefening 

Schenk voldoende aandacht aan de afstelling van de boot gezien de verwachte omstandigheden.

Wantspanning, voor- en achterstagen, zeilkeuze, lijntje door schoothoekoog, hangbanden, bovenste zeillat, valspanning e.d.

Eenmaal op het water, kies een koers die aan de wind is en een tijdje kan worden volgehouden.

 

Experimenteer met de hierboven aangegeven aanbevelingen (dik gedrukt). Neem voor elk onderdeel voldoende tijd. Bijvoorbeeld één voor elk rak. Gebruik het terugvaren om veranderingen aan te brengen.

Waarnemen en discussiëren is belangrijk.

 

10. Zwaar weer scenario 

 

Neem even de tijd om de boot in orde te maken volgens onderstaande aanbevelingen.

 

De trim 

Het want.  

flink spanningverschil tussen top- en onderwant. Samen goed vast.

De kromming van de mast in de lengterichting moet flink zijn

 

Achterstag goed vast

Als het kan de mast naar voren zetten

 

Het voorzeil 

Schootleioog naar achteren om minder bolling te krijgen.

Fokkeval goed vast om de bolling naar voren te brengen

De schoot strak

 

Het grootzeil 

Val goed strak

Cunningham aan

Onderlijkstrekker maximaal naar achteren

Grootschoot vast, giek in het midden bij aan-de-windse rakken.

Neerhouder aan bij ruime koersen

 

Ruime wind 

Let op telltales. Zet de giek zo ver naar lij dat het grootzeil net wat leven geeft. Op geleide van de telltales van het grootzeil.

Neerhouder aan.

Barberhauler aan. Dus gaat de fok flink naar lij. Let op spleetwerking.

 

Aan de wind 

Traveller naar lij om de roerdruk binnen de perken te houden. Op geleide van de roerdruk

Let er wel op dat het achterlijk niet te ver uitwaait dat kost hoogte. Neerhouder dus strak.

 

Twist is afhankelijk van de wind. Het kan nodig zijn om bovenin het grootzeil druk te lozen. Dat speelt minder bij ruimere koersen. Daartoe zo nodig iets met de neerhouder doen.

 

Nota bene 

Roerdruk onprettig en remt. Pas de trim aan. Vooral ruimte op het grootzeil.

Let op je log bij alles wat je verandert.

 

De oefening 

Schenk voldoende aandacht aan de afstelling van de boot gezien de verwachte omstandigheden.

Wantspanning, voor- en achterstagen, zeilkeuze, lijntje door schoothoekoog, hangbanden, bovenste zeillat, valspanning e.d.

Experimenteer met de hierboven dik gedrukte thema’s. Kies in de eerste helft van de oefening aan-de-windse koersen en later halve wind

 

Terug  

 

 

11. Overstag 

 

Achtergrond 

De omstandigheden waar we mee te maken hebben, als we overstag willen, kunnen zeer verschillend zijn

  1. Willen we een boei ronden of zijn we aan het opkruisen
  2. Is er veel of weinig wind
  3. Is de boot wendbaar of is dat minder bijvoorbeeld door een lange kiel.

Bij veel wind kunnen we een boei snel en kort ronden omdat we daarna weer snel op snelheid kunnen komen. De vertraging van een roer dat dwars staat speelt daarbij nauwelijks een rol. Is er weinig wind dan zijn we geneigd om de boei ruim te pakken om snelheid te houden. We maken dan een lange bocht. Hetzelfde geldt voor het opkruisen.

 

Boten met een lange kiel zijn wat moeilijker door de bocht te krijgen en zullen noodgedwongen een ruimere bocht nemen.

 

Bij het ronden van een boei maakt het uit of we een scherpe of een flauwe bocht moeten maken. Dat is afhankelijk van de koers die we daarna gaan gebruiken. Bij veel wind een scherpe bocht maken geeft wel een kick en is dan ook optimaal. Bij weinig wind kun je dat niet doen. Bij een flauwe bocht is het belangrijk zoveel mogelijk voortstuwing te blijven houden door de zeilen goed op de wind te zetten. Langzaam meegaan met de verandering van de windrichting is dan belangrijk.

 

De stand van de zeilen. 

Bij het opkruisen willen we na het wenden de zeilen weer zo hebben staan dat optimaal hoog aan de wind gezeild kan worden. Voordat dat zover is moeten we snelheid maken. Het is daarom goed gebruik om vooral de fok nog even wat ruim te zetten om weer op gang te komen. Ook het grootzeil kan even iets ruimer gehouden worden. Bij veel wind kun je bijna direct je zeilen in de gewenste stand zetten. Bij zeer trage boten kan het verstandig zijn om de fok even bak te zetten om de boot door de wind te helpen.

 

Bij het ronden van een boei moeten we kijken hoe de koers wordt. Als dan hoog aan de wind gezeild moet worden gaat de vorige alinea in werking. Wanneer dat niet het geval is dan is het wijs de zeilen geleidelijk in de gewenste positie te brengen. Je moet dan goed kunnen inschatten hoe dat zal zijn. Vooruit denken is hier essentieel.

 

Komt er dan halve wind dan kan de giek met de draai mee geleidelijk naar lij gezet worden. Ver genoeg naar lij! Boten die uitgerust zijn met een barberhauler moeten die dan niet vergeten.

 

Oefening 

Train het ruim houden van de zeilen direct na de overstagmanoevre. Kijk naar je snelheid voor de beslissing om de zeilen strakker te zetten. Te lang wachten heeft als nadeel dat je teveel hoogte verliest.

 

Kies een aantal keren voor een aan-de-windse koers na het wenden.

 

Als we even tijd hebben leggen we een boei uit om het ronden te oefenen. Kies daarna een niet aan-de-windse koers en leer te taxeren hoe je dan de zeilen wil hebben staan. Wanneer je een ruime bocht neemt en naar een ruime koers gaat zorg er dan voor dat de zeilen langzaam geruimd worden om tijdens de koerswijziging voorstuwing te hebben.

 

Het mooiste is een rolltack maar daar moeten we het nog over hebben.

 

Terug